klinische trial

MIMOSA-trial: effectiviteit en veiligheid van monalizumab gecombineerd met trastuzumab bij patiënten met gemetastaseerde HER2-positieve borstkanker

NTVO - 2021, nummer 2, april 2021

drs. L. Voorwerk , L.A. van den Hoven MSc, dr. M. Kok , drs. V.C.M. Geurts

SAMENVATTING

Blokkade van HER2 door trastuzumab vormt het fundament van de behandeling van patiënten met HER2-positieve borstkanker. De werking van trastuzumab berust gedeeltelijk op lysis van de tumorcellen door onder andere NK-cellen, via een mechanisme genaamd antilichaam-afhankelijke celcytotoxiciteit (ADCC). Dit mechanisme kan echter worden geremd door binding van het immuun-checkpoint NKG2A aan op tumorcellen aanwezige HLA-E-eiwitten. Monalizumab is een monoklonaal antilichaam gericht tegen de NKG2A-receptor, waardoor binding met HLA-E wordt voorkomen en NK- en T-cellen worden geactiveerd. In een eerdere fase 2-studie werd klinische activiteit waargenomen bij patiënten met hoofd-halskanker bij wie monalizumab werd gecombineerd met cetuximab (anti-EGFR). Nog niet eerder werd de effectiviteit van monalizumab bij borstkankerpatiënten onderzocht. Onze hypothese is dat monalizumab trastuzumab-gemedieerde ADCC verbetert, waardoor trastuzumab-resistentie wordt verholpen en anti-tumor-immuniteit wordt gestimuleerd bij patiënten met gemetastaseerde HER2-positieve borstkanker.

(NED TIJDSCHR ONCOL 2021;18:62-5)

Lees verder

Profylactische pectoralis major lap ter reductie van het verhoogde risico op faryngocutane fistelvorming na laryngectomie bij patiënten met een lage skeletspiermassa: PECTORALIS-studie

NTVO - 2021, nummer 1, february 2021

prof. dr. C.H. van Gils , dr. C.M. Speksnijder , dr. G.W.J. Frederix , drs. M.A. van Beers , prof. dr. P.A. de Jong , prof. dr. R. de Bree

SAMENVATTING

Een faryngocutane fistel (FCF) is een veel voorkomende postoperatieve complicatie na een totale larynxextirpatie (TLE) en is vaak moeilijk te behandelen. Het optreden van een FCF gaat samen met de noodzaak tot langdurige sondevoeding, verminderde kwaliteit van leven, langdurigere ziekenhuisopname, verhoogde zorgkosten en uitstel van spraakrevalidatie, orale voedselinname en eventuele adjuvante behandelingen. Een van de strategieën om fistelvorming na TLE te minimaliseren, is het profylactisch naar de hals brengen van een pectoralis major myofasciale lap (PMMF) ter versterking van de faryngeale naad. Het gebruik van deze profylactische PMMF wordt aangeraden bij patiënten met een hoog risico op FCF. Recente studies rapporteerden een lage skeletspiermassa (SSM) als een significante voorspeller voor FCF. In een multicenter gerandomiseerde klinische studie worden patiënten geworven die gepland staan voor een TLE in de hoofd-halscentra van de Nederlandse Werkgroep Hoofd-Hals Tumoren (NWHHT). Met deze klinische studie wordt onderzocht of bij TLE-patiënten met een hoog risico voor FCF vanwege een lage SSM het profylactisch gebruik van een PMMF ter versterking van de faryngeale naad het risico op FCF kan verlagen. SSM wordt gemeten door middel van preoperatief routinematig vervaardigde CT- of MRI-scans op niveau C3. Patiënten met een lage skeletspiermassa worden vervolgens gerandomiseerd en verdeeld in de groepen die een TLE ondergaan met of zonder de profylactische PMMF. De primaire uitkomstmaat van dit onderzoek is het verschil in de incidentie van fistelvorming tussen beide groepen. Secundaire uitkomstmaten van dit onderzoek zijn verschillen in schouder-, nek- en slikfunctie, stemkwaliteit, kwaliteit van leven, opnameduur, perspectief van de patiënten op de behandeling en kosteneffectiviteit.

(NED TIJDSCHR ONCOL 2021;18:28-31)

Lees verder

PANFIRE-III-studie: veiligheid en effectiviteit van irreversibele elektroporatie (IRE) in combinatie met lokale en systemische immuuntherapie bij oligo-gemetastaseerd pancreascarcinoom

NTVO - 2021, nummer 1, february 2021

drs. B. Geboers , dr. C.W. Menke-van der Houven van Oordt , dr. D.E. Oprea-Lager , drs. F.E.F. Timmer , dr. H.J. Scheffer , prof. dr. H.J. van der Vliet , drs. J.E.E. Pouw , drs. J.J.J. de Vries , prof. dr. J.W. Wilmink , dr. M.P. van den Tol , dr. M.R. Meijerink , prof. dr. T. de Gruijl

SAMENVATTING

Pancreascarcinoom is een van de meest dodelijke vormen van kanker. In de loop der jaren hebben nieuwe therapieën bij deze ziekte slechts een marginale overlevingswinst opgeleverd. Bij gemetastaseerde ziekte (stadium IV, AJCC) is in Nederland na behandeling met chemotherapie de mediane overleving slechts 6,4 maanden. Eerder onderzoek liet veelbelovende resultaten zien bij de behandeling van lokaal gevorderd pancreascarcinoom (LAPC, stadium III, AJCC) met chemotherapie en irreversibele elektroporatie (IRE), een lokale ablatietechniek die gebruikmaakt van hoogvoltage elektrische pulsen om tumorcellen te doden. Er werd naast een gesuggereerde bescheiden overlevingswinst ook aangetoond dat IRE een systemische immuunrespons induceert. Deze immuunrespons is echter tijdelijk en onvoldoende potent om een duurzame antitumorreactie te bewerkstelligen. Het benutten van deze lichaamseigen immuunrespons door middel van lokale en systemische immuuntherapie kan een synergistisch effect opleveren, waarbij potentieel wel een duurzame antitumorrespons tot stand wordt gebracht. De PANFIRE-III (NCT04612530) is een prospectieve gerandomiseerde fase 1-studie die als primair doel heeft om de veiligheid te onderzoeken van de combinatietherapieën IRE + nivolumab (groep B) en CpG + IRE + nivolumab (groep C) bij patiënten met oligo-gemetastaseerd pancreascarcinoom die geen progressie hebben na behandeling met minimaal vier kuren FOLFIRINOX-chemotherapie. Het secundaire doel beoogt verduidelijking te geven omtrent de effectiviteit van de experimentele groepen (groep B, C) en de controlegroep A (nivolumab-monotherapie). Hierbij wordt gekeken naar de overleving en progressievrije overleving. Daarnaast wordt gekeken naar de locoregionale en systemische immuunrespons. De combinatiebehandeling van IRE met immuuntherapie kan potentieel een systemische bescherming induceren door middel van in-vivo-vaccinatie tegen de pancreastumorcellen waardoor de tumorgroei lokaal en op afstand wordt geremd.

(NED TIJDSCHR ONCOL 2021;18:23-7)

Lees verder

Echogeleide resectie van tongkanker met directe ex-vivo-controle van het resectiepreparaat

NTVO - 2020, nummer 8, december 2020

dr. J.W. Dankbaar , drs. K.J. de Koning , prof. dr. R. de Bree , dr. R. Noorlag , dr. R.J.J. van Es , prof. dr. S.M. Willems

SAMENVATTING

Tongkanker wordt bij voorkeur chirurgisch behandeld. Tumornegatieve marges zijn essentieel om adjuvante behandeling te voorkomen. Intraorale echogeleide resectie met directe ex-vivo-controle van het resectiepreparaat kan peroperatief terugkoppeling geven op de verkregen resectiemarges. In het UMC Utrecht wordt deze methode bij tongkanker momenteel onderzocht. Hierbij wordt tijdens de resectie de afstand van de tumor tot het snijvlak gemeten door middel van echografie. Het resectiepreparaat wordt vervolgens nogmaals echografisch op adequate marges gecontroleerd. Bij verdenking op te krappe marges wordt direct een naresectie uitgevoerd.

(NED TIJDSCHR ONCOL 2020;17:325-7)

Lees verder

Liposomaal iRInotecan, Carboplatine of oXaliplatine in de eerste lijn voor maag- en slokdarmkanker: gerandomiseerde fase 2-studie (LyRICX)

NTVO - 2020, nummer 7, november 2020

dr. E.M. Kemper , dr. G.J. Creemers , prof. dr. H.W.M. van Laarhoven , dr. J. Tol , prof. dr. J.W. Wilmink , dr. M. Los , prof. dr. M. Nieuwdorp , dr. M. Slingerland , dr. M.F. Bijlsma , prof. dr. M.G.W. Dijkgraaf , drs. M.J.M. van Velzen , dr. N. Haj Mohammad , dr. N.C.T. van Grieken , dr. S. Derks , prof. dr. T. de Gruijl

SAMENVATTING

Palliatieve chemotherapie verbetert de overleving en de kwaliteit van leven van patiënten met niet curatief te behandelen maag- en slokdarmkanker. Vaak wordt voor een fluoropyrimidine bevattende doublet-therapie gekozen, maar het is niet duidelijk welk doublet de voor keur zou moeten hebben. Deze gerandomiseerde, openlabel fase 2-studie vergelijkt doublet-therapieën bestaande uit capecitabine in combinatie met oxaliplatine, met capecitabine in combinatie met carboplatine en nanoliposomaal irinotecan in combinatie met fluorouracil. Primair eindpunt is gecombineerde progressievrije overleving en mate van neurotoxiciteit.

(NED TIJDSCHR ONCOL 2020;17:281-3)

Lees verder

Verbeteren van de veiligheid van de behandeling met fluoropyrimidines: de Alpe2U- en DPYD-NOW-studies

NTVO - 2020, nummer 6, september 2020

dr. A. Cats , prof. dr. A.J. Gelderblom , prof. dr. H.J. Guchelaar , drs. J.E. Knikman , prof. dr. J.H.M. Schellens , dr. J.J. Swen , drs. M. de With , prof. dr. R.H.J. Mathijssen

SAMENVATTING

Ongeveer 15–30% van de patiënten die worden behandeld met fluoropyrimidines (capecitabine en 5-FU) ontwikkelt ernstige (CTCAE-graad 3–5) fluoropyrimidine- gerelateerde toxiciteit. Een risicofactor voor ernstige toxiciteit is deficiëntie van dihydropyrimidinedehydrogenase (DPD), het enzym dat 5-FU omzet in inactieve metabolieten. DPD-deficiënties worden voornamelijk veroorzaakt door variaties in het DPYD-gen. Bij slechts ~17% van de patiënten die ernstige toxiciteit van fluoropyrimidinetherapie ervaren is deze echter te herleiden naar de vier huidige DPYD-varianten waarop tegenwoordig standaard wordt gescreend. Bovendien hebben deze vier DPYD-varianten vooral betekenis bij Kaukasiërs. De Alpe2U- en DPYD-NOWonderzoeken beogen de ernstige fluoropyrimidinegerelateerde toxiciteit verder te reduceren.

In het Alpe2U-onderzoek wordt onderzocht of de incidentie van ernstige toxiciteit bij wildtype patiënten kan worden verlaagd met behulp van de serum-uracilconcentratie. Retrospectief onderzoek heeft aangetoond dat patiënten met een verhoogde uracilconcentratie (>16 ng/ml) een verhoogd risico hebben op het ontwikkelen van ernstige toxiciteit. In het DPYDNOW- onderzoek wordt in kaart gebracht welke DPYDvarianten geassocieerd zijn met een verlaagde DPDactiviteit en het ontwikkelen van ernstige fluoropyrimidine gerelateerde toxiciteit bij patiënten met een niet-westerse achtergrond.

(NED TIJDSCHR ONCOL 2020;17:243-7)

Lees verder

Observationeel onderzoek naar COVID-19 bij patiënten met een maligniteit in Nederland

NTVO - 2020, nummer COVID special, september 2020

Dr. A.A.M. van der Veldt , prof. dr. A.M.C. Dingemans , drs. D.W. Dumoulin , dr. J. Tol , drs. K. de joode

SAMENVATTING

Hoewel patiënten met een maligniteit vatbaarder lijken voor een ernstig beloop van COVID-19, was de beschikbare kennis over de uitkomsten bij deze groep patiënten zeer schaars. Ook zijn resultaten van internationaal onderzoek niet eenduidig te vertalen naar de Nederlandse situatie vanwege het verschil in incidentie van COVID-19, de inrichting van de zorg en de maatregelen in de samenleving. Om meer informatie te verkrijgen over het beloop van COVID-19 bij patiënten met een maligniteit is in maart 2020 het Dutch Oncology COVID-19 Consortium (DOCC) geïnitieerd. In het DOCC-register zijn door 38 Nederlandse ziekenhuizen inmiddels 562 patiënten met COVID-19 en de diagnose maligniteit geregistreerd. Dit artikel geeft een beschrijving van de patiëntkarakteristieken van de eerste 411 patiënten, waaronder 276 patiënten met een bekende solide tumor en 115 patiënten met een hematologische maligniteit. Later dit jaar zullen de resultaten met betrekking tot het beloop van deze infectie kunnen worden gerapporteerd. Het ontstaan van het DOCC en de grote bereidheid van de diverse hematologen, internistoncologen, neurologen en longartsen om patiënten te registreren is een prachtig voorbeeld van landelijke samenwerking met als doel het vergaren van inzicht in de Nederlandse situatie met betrekking tot het beloop van COVID-19 bij patiënten met een oncologische voorgeschiedenis.

Lees verder
X