overzichtsartikelen

PD-L1 als biomarker voor immuuntherapie: de huidige situatie in Nederland

NTVO - 2020, nummer 5, august 2020

dr. D. Cohen , G.L.J.H. van Leenders , prof. dr. S.M. Willems , dr. J.H. von der Thüsen

SAMENVATTING

Immuuntherapie gericht op de remming van de interactie van ‘programmed cell death protein 1’ (PD-1) en zijn ligand, ‘programmed cell death protein 1-ligand’ (PD-L1), heeft de laatste jaren haar intrede gedaan in de oncologie en wordt inmiddels ook in Nederland in diverse orgaansystemen met succes toegepast. Sommige patiënten (bijv. bij melanomen) komen ongeacht de expressie van PD-L1 in tumorweefsel in aanmerking voor immuuntherapie, maar bij andere tumoren is de indicatiestelling voor anti-PD-1/PD-L1-behandeling, en soms de beslissing met betrekking tot immuuntherapie als monotherapie of in het kader van combinatietherapie (met name met chemotherapie) afhankelijk van de aanwezigheid van PD-L1 in tumorcellen en/of immuuncellen. Dit is tot dusverre het geval voor niet-kleincellig longcarcinoom, urotheelcelcarcinoom, hoofd-halscarcinoom en mammacarcinoom. PD-L1-expressie wordt in deze tumoren bepaald door middel van immuunhistochemie, waarbij de methodiek, het specifieke antilichaam en de gehanteerde afkapwaarden sterk variëren tussen tumortypen en geneesmiddelen. In dit overzichtsartikel wordt de stand van zaken van het Nederlandse testlandschap voor PD-L1 weergegeven, met specifieke aandacht voor verschillende gangbare tumortype-geneesmiddeltestcombinaties.

(NED TIJDSCHR ONCOL 2020;17:185-92)

Lees verder

Ontwikkelingen in de diagnostiek en behandeling van perihilair cholangiocarcinoom

NTVO - 2020, nummer 4, june 2020

L.C. Franken , dr. E. Roos , dr. H.J. Klümpen , prof. dr. J. Verheij , prof. dr. O.M. van Delden , dr. M.R. Meijerink , dr. R.L.J. van Wanrooij , prof. dr. J.E. van Hooft , dr. B.M. Zonderhuis , A. Schoorlemmer MSc, prof. dr. R. Bennink , prof. dr. T.M. van Gulik , prof. dr. G. Kazemier , dr. J.I. Erdmann , dr. R.J. Swijnenburg

SAMENVATTING

Perihilair cholangiocarcinoom (PHC) behoort tot een heterogene groep van galwegtumoren die worden onderverdeeld naar anatomische locatie: intrahepatisch, perihilair en distaal cholangiocarcinoom. De enige curatieve behandeling voor PHC is chirurgisch, meestal bestaande uit een majeure leverresectie gecombineerd met een externe galwegresectie. Verschillende uitdagingen in de diagnostiek en behandeling van patiënten met PHC hebben de afgelopen jaren geleid tot nieuwe ontwikkelingen rondom beeldvorming, biliaire drainage, stadiëring en resectabiliteit. Dit artikel geeft een overzicht van de ontwikkelingen en uitkomsten van chirurgische behandeling van PHC, met een aantal aanbevelingen voor de ‘work-up’ van patiënten. Ook worden verschillende mogelijkheden voor patiënten met PHC besproken die niet in aanmerking komen voor een resectie, zoals levertransplantatie, lokaal ablatieve therapieën en palliatieve systemische therapie.

(NED TIJDSCHR ONCOL 2020;17:132–9)

Lees verder

Hartschade als een laat effect van de behandeling van kinderkanker

NTVO - 2020, nummer 3, may 2020

drs. E.C. de Baat , drs. J.M. Leerink , drs. R. Merkx , dr. E.A.M. Feijen , H.J.H. van der Pal , prof. dr. L. Kapusta , dr. J. Loonen , dr. W.E.M. Kok , prof. dr. L.C.M. Kremer , dr. A.M.C. Mavinkurve-Groothuis

SAMENVATTING

De overleving van kinderkanker is in de afgelopen jaren duidelijk toegenomen. Als gevolg van de kankerbehandeling kunnen echter late effecten optreden, zoals hartfalen, vroegtijdig kransslagaderlijden en klepafwijkingen, wat gepaard gaat met verhoogde morbiditeit en mortaliteit. Belangrijke risicofactoren voor de ontwikkeling van hartfalen zijn de cumulatieve doseringen van anthracyclines en van radiotherapie. Om morbiditeit te voorkomen en hartfalen tijdig te ontdekken of zelfs te voorkomen, worden ‘survivors’ van kinderkanker met een verhoogd risico regelmatig (afhankelijk van de dosis elke 2,5-5 jaar) onderzocht met echocardiografie en bij het eerste bezoek eenmalig met een elektrocardiografie. Daarnaast is aandacht voor preventie van cardiovasculaire ziekte met leefstijlfactoren van groot belang. Of de conventionele parameters van echocardiografie voldoende geschikt zijn voor het detecteren van hartschade in een vroeg (asymptomatisch) stadium, of dat gevoeligere echoparameters zoals ‘strain’-metingen beter geschikt zijn, is onderwerp van huidig onderzoek. Facetten die in de toekomst mogelijk een verschil kunnen maken, zijn risicostratificatie op basis van genetica, nieuwe bloedbiomarkers en geavanceerde beeldvorming.

(NED TIJDSCHR ONCOL 2020;17:94–9)

Lees verder

(Over)leven met en na kanker: patiënten ervaren langdurige gevolgen van kanker en de behandeling

NTVO - 2020, nummer 2, april 2020

dr. S. Oerlemans , dr. K. de Ligt , dr. M.J. Velthuis , prof. dr. S. Siesling , prof. dr. P.C. Huijgens , prof. dr. L.V. van de Poll-Franse , dr. N. Ezendam

SAMENVATTING

In Nederland leven momenteel meer dan 800.000 mensen met of na kanker en dit aantal neemt toe. Zij kunnen te maken krijgen met uiteenlopende gevolgen van kanker en de behandeling, zowel op lichamelijk, emotioneel, psychosociaal als maatschappelijk vlak. Deze gevolgen zijn ingrijpend en vaak blijvend van aard. Ten minste een kwart van de mensen die leeft met of na kanker ervaart – ook langere tijd na behandeling – angst, vermoeidheid en problemen met seksualiteit. In vergelijking met een normpopulatie van dezelfde leeftijd en geslacht zijn meer dan twee keer zo vaak neuropathie (14% versus 4%), sociale belemmeringen (13% versus 5%) en angstklachten (30% versus 12%) gerapporteerd. Door binnen de gezondheidszorg consequent aandacht te hebben voor deze gevolgen, zowel tijdens als na het behandeltraject, kunnen we mensen die leven met en na kanker zo goed mogelijke ondersteuning bieden. Aandacht voor gevolgen omvat daarbij zowel het geven van voldoende informatie, het tijdig signaleren, het ondersteunen als ook het behandelen van gevolgen.

(NED TIJDSCHR ONCOL 2020;17:49–57)

Lees verder

Praktijkvariatie in de eerstelijns- systemische behandeling bij het gemetastaseerd oesofagus- en maagcarcinoom

NTVO - 2020, nummer 2, april 2020

dr. W.P.M. Dijksterhuis , dr. R.H.A. Verhoeven , dr. M. Slingerland , dr. N. Haj Mohammad , drs. J. de Vos-Geelen , dr. L.V. Beerepoot , dr. T. van Voorthuizen , dr. G.J. Creemers , dr. M.G. van Oijen , prof. dr. H.W.M. van Laarhoven

SAMENVATTING

Voor patiënten met een gemetastaseerd oesofagusof maagcarcinoom zijn geen curatieve behandelmogelijkheden. Palliatieve systemische therapie kan de overleving en kwaliteit van leven verbeteren. Tot op heden is er geen consensus over welke eerstelijns- systemische behandeling de voorkeur heeft. Bij retrospectief onderzoek naar het gebruik van palliatieve systemische therapie in een cohort van 2.204 Nederlandse patiënten blijkt er met 45 verschillende toegepaste schema’s een grote praktijkvariatie te zijn. Patiënten die werden behandeld met doubletchemotherapie hadden eenzelfde overleving, maar minder kans op toxiciteit vergeleken met patiënten die tripletchemotherapie kregen. Monotherapie was geassocieerd met een significant slechtere overleving en bovendien een slechts beperkte reductie in de kans op toxiciteit vergeleken met doubletchemotherapie. Gebaseerd op deze resultaten verdient doubletchemotherapie de voorkeur boven tripletchemotherapie met het oog op zowel gelijke overleving als verminderde toxiciteit.

(NED TIJDSCHR ONCOL 2020;17:58–65)

Lees verder

Adjuvante behandeling van hoogrisico- endometriumcarcinoom: update van recente gerandomiseerde studies

NTVO - 2020, nummer 1, february 2020

dr. S.M. de Boer , dr. R.A. Nout , prof. dr. C.L. Creutzberg

SAMENVATTING

Endometriumcarcinoom (EC) wordt meestal in een vroeg stadium ontdekt door vroeg optreden van symptomen als postmenopauzaal vaginaal bloedverlies. Slechts 15–20% van de patiënten heeft een slechtere prognose door een hoger risico op afstandsmetastasen en ziektegerelateerd overlijden. Hoogrisico-EC (HREC) omvat zowel stadium I-II-tumoren met ongunstige prognostische kenmerken als meer gevorderde tumorstadia en verschillende histologische subtypen en is derhalve een heterogene groep. Er bestaat veel discussie over de adjuvante behandeling. Recentelijk zijn de resultaten van drie grote gerandomiseerde studies (PORTEC-3, GOG-249 en GOG-258) gepubliceerd. In dit overzichtsartikel worden deze drie studies samen met resultaten uit eerdere onderzoeken besproken en in perspectief geplaatst.

De PORTEC-3-studie toonde voor patiënten met HREC een significante verbetering in totale en progressievrije overleving met het toevoegen van chemotherapie aan radiotherapie (CTRT) vergeleken met radiotherapie alleen (RT). Voor stadium I-II-HREC geeft RT van het bekken een goede locoregionale controle en wordt geen klinisch relevante verbetering van de progressievrije overleving en totale overleving gezien met CTRT in zowel de PORTEC-3- als de GOG-249-studie. Voor patiënten met stadium III en/of sereus type EC geeft CTRT een significante winst in totale en progressievrije overleving. Ten opzichte van behandeling met chemotherapie alleen geeft CTRT een betere locoregionale controle bij patiënten met stadium III/IV-EC (GOG-258-studie). CTRT gaat gepaard met een hogere kans op toxiciteit en een verminderde kwaliteit van leven tijdens en na de behandeling, vooral door sensorische neuropathie. Het blijft daarom belangrijk om met elke individuele patiënt de afweging te maken. Translationeel onderzoek zal in de toekomst helpen de behandeling van HREC-patiënten meer te individualiseren waardoor onder- en overbehandeling kan worden voorkomen.

(NED TIJDSCHR ONCOL 2020;17:4–10)

Lees verder

Recente ontwikkelingen in de fluorescentie-geleide chirurgie

NTVO - 2020, nummer 1, february 2020

F.B. Achterberg , dr. A.L. Vahrmeijer , dr. Q.J.R.G. Tummers

SAMENVATTING

Onderzoek naar fluorescentie-geleide chirurgie heeft in het afgelopen decennium een grote vlucht genomen. Niet-specifieke fluorescente contrastmiddelen worden bestudeerd voor zowel oncologische als niet-oncologische chirurgische indicaties. Het gebruik van tumorspecifieke contraststoffen heeft als doel om de doelmatigheid van de behandeling en het uiteindelijke voordeel voor de patiënt te vergroten. Enkele van deze stoffen worden momenteel onderzocht in internationale, gerandomiseerde onderzoeken. Verwacht wordt dat zowel tumorspecifieke als niet-specifieke fluorescentie-geleide chirurgie een vaste plek gaat krijgen binnen de oncologische zorg.

(NED TIJDSCHR ONCOL 2020;17:11–6)

Lees verder