overzichtsartikelen

Galwegdrainage bij perihilair cholangiocarcinoom

NTVO - jaargang 19, nummer 6, september 2022

dr. A. Moelker , dr. B. Groot Koerkamp , C.J. Pek MSc, D.M. de Jong BSc, dr. L.M.J.W. van Driel , drs. S. Franssen

SAMENVATTING

Perihilair cholangiocarcinoom is een zeldzame maligniteit uitgaande van het galwegepitheel bij het confluens van de linker en rechter galweg. Voorafgaand aan eventuele resectie of chemotherapie is adequate drainage van de galwegen essentieel. Deze galwegdrainage is uitdagend en kan zowel endoscopisch als percutaan worden uitgevoerd. Voorafgaand aan drainage moeten patiënten worden besproken in een multidisciplinair overleg in een expertisecentrum. Vaak is aanvullende beeldvorming nodig voor drainage en het behandelplan bepaalt welke leversegmenten drainage nodig hebben. In dit overzichtsartikel worden de manieren van galwegdrainage besproken, de voor- en nadelen, en veelbelovende nieuwe technieken.

(NED TIJDSCHR ONCOL 2022;19:223–7)

Lees verder

Gamma-knife-radiochirurgie voor Hersenmetastasen

NTVO - jaargang 19, nummer 5, augustus 2022

prof. dr. C.A.M. Marijnen , dr. D. Brandsma , dr. E. Wiegman , dr. F. Wittkamper , dr. G.R. Borst , drs. H. Vos-Westerman , drs. J. Schasfoort , dr. L. Bollen , dr. L. Dewit , dr. L.G. Merckel , drs. P. Hanssens , dr. R. Post , dr. W.A. van den Brink

SAMENVATTING

Hersenmetastasen werden historisch altijd als één ziekte-entiteit beschouwd. Het wordt echter steeds duidelijker dat het een zeer heterogeen ziektebeeld betreft. Moleculaire aspecten van de onderliggende tumor, als ook de klinische en radiologische presentatie kunnen erg verschillen. In vergelijking met 10 jaar geleden is de levensverwachting van patiënten met een gemetastaseerde maligniteit sterk gestegen door de ontwikkeling van nieuwe immuun- en doelgerichte moleculaire behandelingen. Daarom wordt de lokale behandeling van patiënten met hersenmetastasen steeds belangrijker, waarbij continu een afweging moet worden gemaakt tussen optimale lokale controle en bijwerkingen van de behandeling. In dit artikel worden de verschillende lokale behandelmogelijkheden van hersenmetastasen besproken, waarbij specifiek wordt ingegaan op de mogelijkheden van gamma-knife-radiochirurgie. Tevens wordt zogenoemde ‘staged’ stereotactische radiochirurgie (‘stereotactic radiosurgery’ of SRS) besproken. Dit is een relatief nieuwe behandeling in Nederland, waarbij een hersenmetastase in twee of drie fracties in een periode van enkele weken tot maanden wordt behandeld. Het artikel wordt afgesloten met een paragraaf met adviezen ten aanzien van patiëntselectie voor stereotactische radiochirurgie van hersenmetastasen.

(NED TIJDSCHR ONCOL 2022;19:181–7)

Lees verder

Biomarkers voor de behandeling van pancreasadenocarcinoom

NTVO - jaargang 19, nummer 4, juni 2022

prof. dr. C.H.J. van Eijck , dr. E.E. Vietsch , drs. G.J. Strijk , M. Verheij

SAMENVATTING

Pancreas- ductaal adenocarcinomen (PDAC’s) hebben een zeer slechte prognose. Waar bij andere kankersoorten gebruik wordt gemaakt van biomarkers om de behandelstrategie te bepalen, ontbreken dergelijke markers voor pancreascarcinomen. In dit artikel wordt een drietal casus besproken waarbij een sterk verschil in klinisch beloop is te zien. Van twee patiënten was de prognose door hun gemetastaseerd PDAC vooraf zeer slecht. De therapierespons van deze patiënten was echter opmerkelijk en de patiënten zijn tot heden klachtenvrij, in tegenstelling tot een patiënte die, ondanks een resectabel PDAC, binnen drie maanden na resectie snelle progressie had van haar ziekte en in korte tijd is overleden. Deze casus illustreren het belang van biomarkers om toekomstige behandelbeslissingen beter af te stemmen op de individuele patiënt. Prognostische biomarkers kunnen essentiële informatie verschaffen over gepersonaliseerde behandelbeslissingen voor patiënten met een pancreascarcinoom.

(NED TIJDSCHR ONCOL 2022;19:160–3)

Lees verder

Trends en variaties in de behandeling van longkanker stadium I-III in Nederland

NTVO - jaargang 19, nummer 3, mei 2022

prof. dr. C. Terhaard , prof. dr. D. De Ruysscher , prof. dr. H. Struikmans , drs. J. Evers , dr. K. De Jaeger , dr. L.E.L. Hendriks , dr. M. van der Sangen , dr. M.J. Aarts , dr. R. Wijsman , prof. dr. S. Siesling

SAMENVATTING

Doel: Deze landelijke studie beschrijft trends en variaties in de behandeling van stadium I-III kleincellige longkanker (SCLC) en niet-kleincellige longkanker (NSCLC) in Nederland voor de periode 2008–2018/2019.

Methoden: Patiënten gediagnosticeerd met NSCLC (2008–2018) of SCLC (2008–2019) werden geselecteerd uit de Nederlandse Kankerregistratie. De primaire behandelingen werden gestratificeerd weergegeven voor klinisch stadium en longkankertype. Factoren die waren geassocieerd met het gebruik van radiotherapie ten opzichte van chirurgie (stadium I-II NSCLC), concurrente (cCRT) ten opzichte van sequentiële chemoradiatie (sCRT) (stadium III NSCLC en stadium II-III SCLC), en geaccelereerde ten opzichte van conventioneel gefractioneerde radiotherapie als onderdeel van cCRT (stadium II-III SCLC) werden geïdentificeerd.

Resultaten: Bij stadium I NSCLC (n=25.405) nam de toepassing van chirurgie af van 58% (2008) naar 40% (2018), terwijl het gebruik van radiotherapie over de tijd toenam van 31% naar 52%; meestal betrof het stereotactische radiotherapie (74%). Bij stadium II NSCLC (n=9.272) onderging 54% van de patiënten chirurgie. De factoren die het sterkst waren geassocieerd met radiotherapie ten opzichte van chirurgie waren een slechtere WHO-‘performance status’, toenemende leeftijd en stadium I ten opzichte van II. Bij stadium III NSCLC (n=26.905) was het gebruik van radiotherapie met chemotherapie (meestal cCRT) beperkt en nam marginaal toe van 35% (2008) tot 39% (2018). De factoren die het sterkst waren geassocieerd met cCRT ten opzichte van sCRT waren leeftijd, WHO-‘performance status’ en regio. Bij stadium I SCLC (n=535) nam de toepassing van chirurgie toe van 29% in 2008–2009 tot 44% in 2018–2019. Gebruik van radiotherapie met chemotherapie nam bij stadium I af van 37% naar 15%, bleef constant (64%) bij stadium II (n=472) en nam toe van 57% (2008) naar 70% (2019) bij stadium III SCLC (n=5.571). Het gebruik van cCRT ten opzichte van sCRT bij stadium II-III SCLC nam toe over tijd en was sterk geassocieerd met een lagere leeftijd, WHO-‘performance status’ 0 en diagnose in een ziekenhuis met inhuis radiotherapie. Sinds 2012 werd concurrente radiotherapie meestal (57%) met een geaccelereerd schema gegeven. Gebruik van geaccelereerde in plaats van conventioneel gefractioneerde radiotherapie verschilde per regio (range in oddsratio’s: 0,59–4,13) en was sterk geassocieerd met WHO-‘performance status’ 1 ten opzichte van 0 en radiotherapie-instellingen die jaarlijks ≥16 patiënten met SCLC behandelden.

Conclusie: Radiotherapie is de meest gebruikte behandelmodaliteit bij stadium I NSCLC geworden. Het gebruik van radiotherapie met chemotherapie was beperkt bij stadium III NSCLC en nam slechts marginaal toe. Stadium I SCLC is in de loop der tijd steeds vaker chirurgisch behandeld. Bij stadium II en III SCLC nam de toepassing van cCRT ten opzichte van sCRT toe en sinds 2012 was de meeste radiotherapie bij cCRT geaccelereerd. Behandelvariaties tussen patiëntgroepen suggereren behandeling op maat, terwijl behandelvariaties tussen regio’s en ziekenhuizen wijzen op mogelijk ongewenste verschillen in de klinische praktijk.

(NED TIJDSCHR ONCOL 2022;19:110–7)

Lees verder

Het abscopale effect bij radiotherapie

NTVO - jaargang 19, nummer 2, april 2022

dr. M. Ansems , prof. dr. M. Verheij

SAMENVATTING

Hoewel radiotherapie een lokale behandelmodaliteit is, kan deze ook systemische effecten veroorzaken die leiden tot regressie van niet-bestraalde laesies. Dit zogenoemde abscopale effect wordt echter zeer zelden waargenomen in de kliniek. Uitgebreide preklinische studies hebben laten zien dat het immuunsysteem de drijvende kracht is achter dit fenomeen. Ondanks het zeldzame optreden in de dagelijkse praktijk, wordt het abscopale effect met de opkomst van immuuntherapie wel steeds vaker waargenomen. Er is dan ook een groeiende consensus dat het combineren van radiotherapie en immuuntherapie de mogelijkheid biedt om de abscopale effecten te vergroten. Om dit succesvol te implementeren in de kliniek is echter meer onderzoek nodig naar de interactie tussen bestraling en het immuunsysteem. Ook zullen nog veel aspecten verder moeten worden geoptimaliseerd, zoals dosis en fractionering, volgorde en timing, en responsvoorspelling van radio- en immuuntherapie. In dit overzichtsartikel bespreken we 1) het veronderstelde mechanisme van het abscopale effect, 2) waarom dit effect maar zo zelden wordt waargenomen, en 3) de kansen en uitdagingen van het combineren van radiotherapie en immuuntherapie om het abscopale effect te vergroten.

(NED TIJDSCHR ONCOL 2022;19:58–64)

Lees verder

Het bevorderen van interdisciplinair onderzoek op het gebied van hoofd-halskanker door een multicenter longitudinale prospectieve cohortstudie: het ‘Netherlands Quality of life and Biomedical Cohort’ (NET-QUBIC) datawarehouse en biobank

NTVO - 2022, nummer 1, february 2022

prof. dr. C.H.J. Terhaard , prof. dr. C.R. Leemans , dr. F. Jansen , prof. dr. I.M. Verdonck-de Leeuw , prof. dr. J.A. Langendijk , prof. dr. J.H. Smit , prof. dr. R.H. Brakenhoff , prof. dr. R.J. Baatenburg de Jong , prof. dr. R.P. Takes

SAMENVATTING

Achtergrond: Wereldwijd worden jaarlijks meer dan 500.000 mensen (in Nederland ruim 3.000) gediagnosticeerd met hoofd-halskanker, een ziekte met grote gevolgen voor de levensverwachting en kwaliteit van leven. Het doel van het ‘Netherlands Quality of life and Biomedical Cohort’ (NET-QUBIC)-project is het bevorderen van interdisciplinair onderzoek dat gericht is op het optimaliseren van diagnose, behandeling en begeleidende zorg voor hoofd-halskankerpatiënten en hun mantelzorgers. Methode: Door middel van een uitgebreid dataverzamelingsprotocol (elektronisch patiëntendossier, patiënt-gerapporteerde uitkomstmaten (‘patient reported outcomes measures’; PROM’s) en veldwerk (interviews en fysieke testen)), worden klinische gegevens en gegevens over kwaliteit van leven, demografische en persoonlijke factoren, psychische (depressie, angst, vermoeidheid, pijn, slaap, mentale aanpassing aan kanker, posttraumatische stress), fysieke (spraak, slikken, mondfunctie, ondervoeding, fysieke fitheid, neurocognitieve functie, seksuele functie) en sociale factoren (sociaal functioneren, sociale ondersteuning, werk, zorggebruik en kosten) en leefstijl (lichaamsbeweging, voeding, roken, alcohol, drugs) verzameld en opgeslagen in het NET-QUBIC-datawarehouse. Een longitudinale biobank is opgebouwd met tumorweefsel, bloed, speeksel en mondspoelsel. In alle deelnemende centra is een infrastructuur voor veldwerk en laboratoriumprotocollen opgesteld. Alle patiënten vullen de PROM’s in vóór de behandeling (baseline) en 3, 6, 12, 24, 36, 48 en 60 maanden na de behandeling. De interviews, fysieke testen en lichaamsmaterialen worden afgenomen op baseline en 6, 12, 24 en 60 maanden follow-up. Het protocol voor mantelzorgers omvat afname van bloed en mondspoelsel op baseline en op hun toegespitste PROM’s, die op dezelfde momenten als die bij patiënten wordt afgenomen. In totaal zijn 739 patiënten en 262 mantelzorgers geïncludeerd in vijf van de acht hoofd-halskankercentra in Nederland. Conclusie: Door onderzoekers toegang te verlenen tot het NET-QUBIC-datawarehouse en -biobank maken we nieuwe onderzoekslijnen mogelijk voor klinisch (bijv. behandelingsoptimalisatie bij oudere patiënten), biologisch (bijv. vroege detectie van tumorrecidief), kwaliteit van leven (bijv. de impact van toxiciteit op de kwaliteit van leven) en interdisciplinair onderzoek (bijv. kwaliteit van leven in relatie tot biomarkers en overleving).

(NED TIJDSCHR ONCOL 2022;19:15-23)

Lees verder

Therapeutische kankervaccins

NTVO - 2022, nummer 1, february 2022

prof. dr. S.H. van der Burg

SAMENVATTING

De ontwikkeling van therapeutische kankervaccins kent een lange weg. Een serie van klinische studies met anekdotische responsen heeft niet tot het verwachte succes geleid, waarna de aandacht voor deze vorm van immuuntherapie verslapte. Dit kwam voornamelijk omdat men in die tijd wel de stimulatie maar niet de regulatie van het afweersysteem begreep. Nu zijn therapeutische vaccins weer terug. Verbeteringen in vaccinplatformen zorgen voor een optimale presentatie van de doelwitantigenen aan het afweersysteem. Een beter begrip van de rol van CD4+ en CD8+ T-lymfocyten bij kanker maakt dat vaccins nu worden ontworpen om beide typen cellen te stimuleren. Nieuwe inzichten in de regulatie van T-celfunctie duidden het belang om kanker-specifieke antigenen in vaccins te gebruiken en leidden tot de ontdekking dat geactiveerde T-cellen moleculen op hun oppervlak vertonen, zogenoemde checkpoints, waardoor hun functie kan worden geremd. Dit had de ontwikkeling van de checkpoint-remmers als gevolg en deed vaccinontwikkelaars begrijpen dat checkpointremming ook de effectiviteit van kankervaccins kan verbeteren. Nieuwe technologische ontwikkelingen maakten het mogelijk om de afweerreactie in tumoren met veel detail in kaart te brengen, waardoor het duidelijk werd dat er vele mechanismen zijn waardoor de afweerreactie in een tumor wordt onderdrukt of waardoor een tumor kan ontsnappen aan het afweersysteem. Hierdoor is het inzichtelijker geworden onder welke omstandigheden een therapeutisch vaccin een rol kan spelen en wat nodig is om die condities te creëren. Nieuwe studies, waarin deze inzichten worden meegenomen, laten voorzichtig succes zien en leiden tot mogelijk nieuwe biomarkers voor betere patiëntselectie.

(NED TIJDSCHR ONCOL 2022;19:25-9)

Lees verder
X