Dat de ziekte van Crohn een risicofactor voor colorectale kanker (CRC) is, is al langer bekend. Maar de studies waarop dit gegeven is gebaseerd waren uitgevoerd met oudere –en soms verouderde- behandel- en screeningsmethoden. Daarmee schetsen zij mogelijk een vertekend beeld van het incidentierisico voor CRC bij de ziekte van Crohn.

Een recente Zweeds/Deense cohortstudie deelde CRC en de daaraan gerelateerde mortaliteit op basis van het stadium van de kanker in. Daardoor ontstaat er een beter beeld over het verband tussen CRC en mortaliteit bij patiënten van de ziekte van Crohn in vergelijking met de bevolking in het algemeen. In The Lancet Gastroenterology and Hepatology werden hun bevindingen recent gepubliceerd.

Denemarken en Zweden

In Denemarken en Zweden werden de nationale patiëntenregisters en pathologieverslagen doorgenomen om mensen met de ziekte van Crohn te identificeren. In Denemarken werden data van januari 1977 tot december 2011 doorzocht, en in Zweden over een nog langere periode, van januari 1969 tot december 2017. In totaal werden er 47.035 mensen met de ziekte van Crohn gevonden voor de hele periode tussen 1969 en 2017, 13.056 in Denemarken en 33.979 in Zweden. Zij werden vergeleken met in totaal 463.187 referentiepersonen zonder ziekte van Crohn.

Primaire uitkomst was overlijden aan colorectale kanker, secundaire uitkomst was incidentie van colorectale kanker. Relatieve risico’s werden geschat voor incidentie van CRC en mortaliteit. Cox-modellen werden ingezet om oorzaak-specifieke HR’s te bepalen voor CRC diagnose, CRC-gerelateerd overlijden en andere doodsoorzaken, en aangepast naar ontwikkelingsstadium van de kanker op het moment van diagnose.

Gedurende de follow-up periode overleden 296 Crohn-patiënten aan CRC (0,47 per 1000 persoonjaren), vergeleken met 1968 mensen in de referentiegroep (0,31 per 1000 persoonjaren), overeenkomend met een HR van 1,74 (95% CI 1,54 - 1,96). Er werden 499 CRC-diagnoses gesteld bij de Crohn-patiënten (0,82 per 1000 persoonjaren) vergeleken met 4084 bij de referentiegroep (0,64 per 1000 persoonjaren). Dat vertaalt zich in een HR van 1,40 (95% CI 1,27 - 1.53).

De onderzoekers stelden ook vast dat mensen met de ziekte van Crohn die de diagnose CRC kregen een hogere kans hadden aan die ziekte te sterven dan mensen die die diagnose kregen zonder dat ze de ziekte van Crohn hadden (HR 1,42 [1,16 - 1,75]). Daarbij maakte het geen verschil tussen de twee groepen in welk stadium de kanker zich bevond op het moment van diagnose.

Jonger dan 40

Crohn-patiënten die langer dan 8 jaar gevolgd werden, of die met primaire scleroserende cholangitis (PSC) waren gediagnosticeerd, en daardoor mogelijk in aanmerking kwamen voor CRC surveillance hadden een verhoogd risico om CRC te krijgen (HR 1,12 [0,98 - 1,28]) dan wel aan CRC te overlijden (HR 1,40 [1,16 - 1,68]). Vooral bij patiënten bij wie de ziekte van Crohn was vastgesteld toen ze jonger dan 40 waren, bij patiënten met PSC en bij patiënten die vaak last van dikkedarmontstekingen hadden was het risico significant hoger dan bij vergelijkbare personen uit de referentiegroep.

De onderzoekers zien in hun bevindingen verder bewijs voor de relatie tussen de ziekte van Crohn en een verhoogd risico op colorectale kanker en overlijden daaraan. Crohn-patiënten hebben een grotere kans om darmkanker of endeldarmkanker te krijgen dan mensen die niet aan de ziekte van Crohn lijden. Daarnaast lopen zij een grotere kans om aan CRC te overlijden dan mensen die colorectale kanker krijgen zonder dat ze de ziekte van Crohn hebben. De onderzoekers bepleiten dat vooral mensen jonger dan 40 jaar, die de ziekte van Crohn hebben, mensen met PSC en mensen met dikkedarmontstekingen regelmatig gescreend moeten worden op colorectale kanker.

Bron
1. The Lancet Gastroenterology and Hepatology