Mensen die darmkanker hebben gehad blijven nadien vijf jaar lang onder medische controle. Minstens een keer per jaar moeten zij terug naar het ziekenhuis voor onderzoeken en een gesprek met de specialist. Maar is dat wel echt nodig en zinvol? Sommige onderdelen van het onderzoek kunnen ook thuis plaatsvinden. Aan het Erasmus MC Kanker Instituut in Rotterdam start nu een studie om vast te stellen of ex-darmkankerpatiënten prijs stellen op die optie, en of ze meer regie over hun oncologische nazorg willen. Voor de studie worden minimaal 200 patiënten gezocht die worden behandeld in het Erasmus MC, IJsselland Ziekenhuis in Capelle aan den IJssel of in het Amphia Ziekenhuis in Breda.

CT-scan

Patiënten die een operatieve behandeling ondergaan voor darmkanker lopen een kans van ongeveer 30% dat de kanker terugkeert. Om die reden is het gebruikelijk om die patiënten tot vijf jaar na hun operatie te volgen. Dat houdt in dat ze minstens eenmaal per jaar, maar doorgaans vaker, naar het ziekenhuis komen voor bloedonderzoek waarbij gespeurd wordt naar tumormarkers, een CT-scan en een gesprek met de oncoloog. Maar onderzoek wijst uit dat het voor de overleving niet uitmaakt of er zes, vier of twee keer per jaar een CT-scan wordt gemaakt. Een zo’n scan per jaar volstaat in principe, en de vraag is dus of het zin heeft om mensen op controle te laten komen als er geen CT-scan nodig is. Bloedonderzoek hoeft immers niet in het ziekenhuis gedaan te worden, en een gesprek met de arts kan prima op afstand.

De Rotterdamse onderzoekers denken dat mensen die meermalen per jaar een nacontrole voor darmkanker ondergaan zich in wezen vijf jaar lang kankerpatiënt blijven voelen. Dat heeft invloed op de kwaliteit van leven: oud-patiënten ervaren vaak stress en angsten.

Richtlijn

In de nieuwe studie die nu in Rotterdam wordt opgestart komen deelnemers vanaf 1 jaar na hun operatie jaarlijks langs voor een CT-scan. Maar verder kunnen de patiënten zelf bepalen hoe ze hun nazorg willen indelen. De richtlijn voor darmkanker stelt dat er elke zes maanden een bloedonderzoek gedaan moet worden. Hoe ze dat doen mogen ze zelf kiezen: ze kunnen een afnamesetje thuisgestuurd krijgen, zelf een vingerprik doen en dat bloedmonster per post terugsturen. Maar ze kunnen de vingerprik ook door de huisarts laten afnemen, of toch zelf naar het ziekenhuis komen.

Geen bericht, goed bericht

De patiënten krijgen ook een keuze in de manier waarop ze de uitslag vernemen. De optie bestaat om ‘geen bericht, goed bericht’ te laten gelden, waarbij mensen niet gebeld worden als de resultaten goed zijn. Mensen kunnen ook kiezen om sowieso altijd gebeld te worden over de uitslag, maar als ze prijs stellen op een persoonlijk gesprek met de arts, dan bestaat die mogelijkheid ook.

Het uiteindelijke doel van de keuzevrijheid is om de patiënt een zo goed mogelijke kwaliteit van leven te bieden. De vergrote keuzemogelijkheid moet patiënten het gevoel geven de regie over hun zorgverhaal weer terug te krijgen. Dat zorgt voor minder stress en minder angst. De deelnemers aan de studie zullen wel uitgebreid bevraagd worden over hun ervaringen.

Naast voordelen voor de patiënt zijn er ook voordelen voor de zorg als mensen ervoor kiezen om een deel van hun nacontroletraject thuis uit te voeren. Het zal minder druk worden op de poliklinieken en bij de bloedafnamedienst, en de specialist houdt ook tijd over omdat niet elke patiënt meer persoonlijk op gesprek hoeft te komen.

Smartwatches

Er wordt in Rotterdam ook al naar de toekomst gekeken: over enkele jaren gaan de onderzoekers bekijken of het inzetten van smartwatches zinvol kan zijn bij de kankernazorg. Die apparaatjes  krijgen steeds meer functies die nuttig kunnen zijn in dit proces, zoals hartslag, bloedsaturatie en slaapritme.