journal scan

Incidentie en overleving van niertumoren bij kinderen in Nederland in de periode 1990–2014

NTVO - jaargang 20, nummer 6, december 2023

dr. M. Schulpen , drs. P. Roy , prof. dr. M.H.W.A. Wijnen , dr. G.A.M. Tytgat , prof. dr. M.M. van den Heuvel-Eibrink , dr. ir. H. van Tinteren , dr. ir. H.E. Karim-Kos

Dit is een journalscan van het artikel “Incidence and survival of paediatric renal tumours in the Netherlands between 1990 and 2014” met commentaar voor de Nederlandse klinische praktijk.

(NED TIJDSCHR ONCOL 2023;20:258–9)

Lees verder

Interpreteerbaar ‘deep learning’- model om de moleculaire classificatie van endometriumcarcinoom te voorspellen op basis van hematoxylineeosinegekleurde coupes

NTVO - jaargang 20, nummer 4, september 2023

dr. C.D. de Kroon

SAMENVATTING

In deze studie van Fremond et al. is onderzocht of door middel van ‘deep learning’ een ‘artificial intelligence’ (AI)-model (‘im4MEC’) zou kunnen worden ontwikkeld waarmee de moleculaire classificatie van een endometriumcarcinoom kan worden vastgesteld aan de hand van een gedigitaliseerde HE-coupe van de tumor.1 Hiervoor werd vanuit verschillende studies een studiecohort samengesteld van 2.028 patiënten met endometriumcarcinoom van wie de moleculaire classificatie en een representatieve HE-coupe beschikbaar was. Naast de voorspellende waarde is, aan de hand van de 20 meest concordante cases, op tumor- en celniveau ook gekeken naar de morfologische aspecten op basis waarvan im4MEC de keus tussen de verschillende moleculaire klassen maakt. Tot slot is de prognostische waarde van de ware moleculaire klasse vergeleken met de prognostische waarde van de moleculaire klasse op basis van im4MEC.

De gemiddelde AUROC van im4MEC van de vier klassen was 0,874 (95%-BI 0,856–0,893) en 0,876 in de onafhankelijke testset. De AUROC van de vier verschillende moleculaire klassen was 8,849, 0,844, 0,883 en 0,928 voor respectievelijk POL-Emut, MMRd, NSMP en p53abn. Voor wat betreft de morfo-moleculaire correlatie bleek onder andere dat het aantal ontstekingscellen positief bijdroeg aan concordante classificatie door im4MEC als POLE-mut en MMR en negatief aan concordante classificatie als p53mut en NSMP. Evenzo bleek bijvoorbeeld dat nucleaire atypie sterk bijdroeg aan de concordante classificatie door im4MEC van p53abn. Voor wat betreft prognose bleek er gering verschil in de prognose van de ware POLE en de im4MEC-POLE.

(NED TIJDSCHR ONCOL 2023;20:188–9)

Lees verder

Een verhoogde mutatie-gerelateerde leeftijd in bloed van kinderen die zijn behandeld voor kanker draagt bij aan therapie-gerelateerde myeloïde maligniteiten

NTVO - jaargang 20, nummer 2, mei 2023

drs. E.J.M. Bertrums , prof. dr. C.M. Zwaan , prof. dr. M.M. van den Heuvel-Eibrink , dr. B.F. Goemans , dr. R. van Boxtel

SAMENVATTING

Chemotherapie is de meest gebruikte behandeling voor kanker en heeft geleid tot genezing van een stijgend aantal patiënten.1 Chemotherapie werkt onder andere door het DNA van kwaadaardige cellen te beschadigen, maar de effecten op het DNA van gezonde weefsels zijn minder goed gekarakteriseerd.2 Daarnaast zou mutagenese als gevolg van blootstelling aan chemotherapie ten grondslag kunnen liggen aan het ontstaan van therapie-gerelateerde myeloïde neoplasmata (t-MN), die vaak gepaard gaan met specifieke genetische afwijkingen.3 Het mechanisme van het ontstaan van deze t-MN bij kinderen is tot nu toe onvoldoende bestudeerd. In de hier beschreven studie worden de mutagene consequenties van chemotherapie in normale hematopoëtische stam- en progenitorcellen (HSPC’s) verkregen van kinderen na kankerbehandeling onderzocht door middel van genoom-‘sequencing’.

(NED TIJDSCHR ONCOL 2023;20:91–2)

Lees verder

Radiotherapie bij borstsparende behandeling bij niet-laagrisico ductaal carcinoom in situ: een gerandomiseerde internationale fase 3-studie

NTVO - jaargang 20, nummer 1, maart 2023

drs. A.H. Westenberg , drs. C. Kirkove , dr. J.Maduro , prof. dr. H. Struikmans

ACHTERGROND

Na borstsparende chirurgie voor ductaal carcinoma in situ van de borst (DCIS) bestaat de kans op het ontstaan van een lokaal recidief, waarvan ongeveer de helft invasief is. Eerdere studies laten zien dat postoperatieve borstbestraling (WBI) de kans op een lokaal recidief halveert en daarmee de ziektevrije overleving verbetert, echter zonder impact op de overleving.1 Bij borstkanker is gebleken dat een extra bestralingsdosis ter plaatse van het tumorbed (de ‘boost’) na WBI een belangrijke vermindering van de kans op een lokaal recidief geeft.2 In onderhavige studie werd onderzocht of het geven van een ‘boost’ na WBI ook bij DCIS leidt tot een nog kleinere kans op een lokaal recidief en of de resultaten van hypofractionering van de postoperatieve borstbestraling vergelijkbaar zijn met die van met conventioneel gefractioneerde WBI.

(NED TIJDSCHR ONCOL 2023;20:46–47)

Lees verder

Een magnetische schildwachtklierprocedure bij het vroegstadiummondholtecarcinoom: een pilotstudie

NTVO - jaargang 19, nummer 8, december 2022

drs. D.A.J.J. Driessen , dr. T. Dijkema

INLEIDING

Bij het vroegstadium-mondholtecarcinoom (klinisch T1–2N0) blijkt 23% van de patiënten occulte metastasen te hebben in de schildwachtklier(en).1 De schildwachtklierprocedure is tegenwoordig een standaard diagnosticum voor het evalueren van de lymfeklierstatus bij patiënten met een cT1–2N0-mondholtecarcinoom. Tijdens deze procedure worden preoperatief radio-isotopen (99mTc-nanocollloid) peritumoraal geïnjecteerd en vervolgens gevisualiseerd door middel van lymfoscintigrafie (SPECT). Intra-operatief zijn de schildwachtklieren detecteerbaar door middel van een gamma-probe en deze worden na identificatie verwijderd. Indien deze schildwachtklier(en) bij pathologisch onderzoek een metastase blijken te bevatten, wordt een aanvullende halsklierdissectie uitgevoerd. Indien er geen sprake is van een metastase wordt hiervan afgezien. De schildwachtklierprocedure leidt tot minder overbehandeling, een reductie in morbiditeit en lagere kosten. Met een sensitiviteit van 86% en een negatief voorspellende waarde van 95% is het een betrouwbare en veilige methode voor het stadiëren van de hals bij cN0-patiënten.1 De sensitiviteit ligt met 63% echter lager bij het mondbodemcarcinoom, waarschijnlijk door het ‘shine through’-fenomeen, waarbij de activiteit in de injectieplaats de activiteit van een naastgelegen lymfeklier in ‘level’ Ia-b overschaduwt.2

Een manier om de sensitiviteit van de procedure bij mondbodemcarcinomen te verbeteren is de keuze voor een alternatieve tracer en beeldvorming. Superparamagnetisch ijzeroxide (SPIO) is een niet-radioactieve tracer en heeft als voordeel dat schildwachtklieren door middel van hoge-resolutie-MRI kunnen worden gevisualiseerd door de susceptibiliteitsartefacten van het ijzeroxide.3 Dit zou de vindbaarheid van de schildwachtklieren peroperatief kunnen vergroten en tevens de afhankelijkheid van radioactieve isotopen kunnen omzeilen.

(NED TIJDSCHR ONCOL 2022;19:309–10)

Lees verder

Adjuvante behandeling met nivolumab bij residuale ziekte na chemoradiatie en resectie van het oesofaguscarcinoom

NTVO - jaargang 19, nummer 4, juni 2022

dr. A.J. de Graan , dr. N. Haj Mohammad

SAMENVATTING

De incidentie van carcinoom van de oesofagus (inclusief oesofagus-maagovergang) stijgt fors de afgelopen jaren en lag op bijna 3.100 nieuwe gevallen in 2020.1 Patiënten met een lokaal gevorderd adeno- en plaveiselcelcarcinoom (T1N1M0 en T2-3-N0-3M0) van de oesofagus komen in aanmerking voor neoadjuvante chemoradiatie (41,4 Gy in 23 fracties) met 5x wekelijks carboplatine AUC2 en paclitaxel 50 mg/m2 als ‘radiosensitizer’ (CROSS-schema), gevolgd door resectie.2 Helaas krijgt een groot deel van deze patiënten een recidief. Dit risico is vooral verhoogd bij patiënten die geen complete pathologische respons hebben na neoadjuvante chemoradiatie en resectie (ongeveer 75%).3 Tot op heden bestond er geen zinvolle adjuvante therapie na het CROSS-schema gevolgd door resectie. De CheckMate-577-studie onderzocht of adjuvante behandeling met de checkpointremmer nivolumab dit recidiefrisico kan verlagen.
(NED TIJDSCHR ONCOL 2022;19:171–2)

Lees verder

Gerandomiseerde studie naar cytoreductieve chirurgie bij recidief ovariumcarcinoom

NTVO - jaargang 19, nummer 2, april 2022

dr. W. Lips , dr. C.D. de Kroon

SAMENVATTING

In de DESKTOP-III-studie is de waarde van cytoreductieve chirurgie bij recidief ovariumcarcinoom onderzocht. Eerdere DESKTOP-studies hebben laten zien dat dit alleen zinvol is indien complete cytoreductie kan worden bewerkstelligd en dat een positieve AGO-score (ECOG-‘performance score’ van 0, complete primaire ‘debulking’ en aanwezigheid van maximaal 500 ml ascites) de kans op complete cytoreductie kan voorspellen met accuratesse van meer dan 75%. In de DESKTOP III werden vrouwen met een recidief ovariumcarcinoom, platinumvrij interval van ten minste zes maanden en een positieve AGO-score gerandomiseerd tussen cytoreductie gevolgd door chemotherapie en alleen chemotherapie.1 Een totaal van 407 patiënten werden geïncludeerd (chirurgiegroep n=206, chemotherapiegroep n=201). De mediane algehele overleving was 53,7 maanden in de chirurgiegroep (75,5% complete cytoreductie) en 46,0 maanden in de chemotherapiegroep (hazardratio 0,75; 95%-betrouwbaarheidsinterval 0,59-0,96; p=0,02). Er was geen verschil in kwaliteit van leven en geen perioperatieve mortaliteit. Daarnaast kon geen subgroep worden gedefinieerd waarin cytoreductie niet van voordeel was.

De auteurs concluderen dat cytoreductie in combinatie met chemotherapie van voordeel is ten opzichte van alleen chemotherapie voor patiënten met een recidief ovariumcarcinoom en een positieve AGO-score.

(NED TIJDSCHR ONCOL 2022;19:85–6)

Lees verder