De combinatie van nivolumab + ipilimumab (N+I) als tweeledige checkpointremming is goedgekeurd voor de eerstelijnsbehandeling van patiënten met gevorderd niercelcarcinoom met een intermediair/ongunstig risicoprofiel. Dit was gebaseerd op de resultaten van de gerandomiseerde fase III-studie CheckMate 214. Tijdens ESMO 2020 presenteerde dr. Albiges de 4-jaars follow-updata van deze studie met betrekking tot overleving, responspercentages en bijwerkingen. De voordelen van N+I boven sunitinib met betrekking tot overleving en responspercentages bleven na deze langere follow-up aanhouden en er werden geen nieuwe bijwerkingen gerapporteerd. Patiënten zonder eerdere nefrectomie lieten daarnaast met N+I een krimp van de nierlaesies zien en het overlevingsvoordeel in deze subgroep kwam overeen met dat van de gehele studiepopulatie.

INLEIDING

De combinatie van nivolumab + ipilimumab (N+I) als tweeledige checkpointremming is goedgekeurd voor de eerstelijnsbehandeling van patiënten met gevorderd niercelcarcinoom met een intermediair/ongunstig risicoprofiel (‘intermediate/poor-risk’, IP). Dit is gebaseerd op de resultaten van de gerandomiseerde fase III-studie CheckMate 214, waarin een betere algehele overleving (OS) en een beter objectief responspercentage (ORR) waren aangetoond van N+I vergeleken met sunitinib (S). Tijdens ESMO 2020 presenteerde dr. Albiges de 4-jaars follow-updata van deze studie met betrekking tot overleving, respons volgens een onafhankelijk radiologisch review comité en bijwerkingen.

Patiënten met onbehandeld gevorderd niercelcarcinoom werden in deze studie 1:1 gerandomiseerd naar N (3 mg/kg) + I (1 mg/kg) elke 3 weken gedurende 4 doses, gevolgd door N (3 mg/kg) elke 2 weken, of S (50 mg eenmaal daags) gedurende 4 weken en vervolgens 2 weken niet. De uitkomstmaten waren OS, ORR en progressievrije overleving (PFS) bepaald met behulp van RECIST v1.1 in IP (primair), ‘intention-to-treat’ (ITT; secundair) en gunstig profiel (exploratief) patiënten. De behandelopties voor patiënten met gevorderd niercelcarcinoom die niet in aanmerking komen voor nefrectomie zijn beperkt en deze specifieke subgroep is nog niet uitgebreid onderzocht middels klinisch onderzoek. Daarom wordt er ook aandacht besteed aan een post-hocanalyse van een subgroep van patiënten uit de CheckMate 214-studie met nierlaesies, maar zonder eerdere nefrectomie.

RESULTATEN

In totaal werden 1.096 patiënten gerandomiseerd (ITT-populatie: n=550 voor N+I, n=546 voor S; IP-populatie: n=425 voor N+I, n=422 voor S; gunstig-populatie: n=125 voor N+I, n=124 voor S). Binnen de subgroep van patiënten met nierlaesies zonder eerdere nefrectomie kregen 53 patiënten N+I en 55 patiënten S. De betere OS met N+I versus S bleef aanhouden bij ITT-patiënten (HR 0,69) en IP-patiënten (HR 0,65). Bij gunstig profiel-patiënten was het verschil in OS echter nog steeds niet eenduidig (HR 0,93). Met 48 maanden was de OS met N+I vergeleken met S 53% versus 43% in de ITT-groep, 50% versus 36% in de IP-groep en 65% versus 69% in de gunstig profiel-groep.

De ORR was hoger met meerdere responsen met N+I vergeleken met S in zowel de IP-groep (65% versus 50%) als de ITT-groep (65% versus 52%). Bij gunstig profiel-patiënten was de ORR lager met N+I versus S, maar wel met meerdere responsen (65% versus 56%). Het percentage complete responsen was in iedere subgroep hoger met N+I versus S. De resultaten met betrekking tot de PFS kwamen overeen met eerdere bevindingen en de PFS-curves vlakten na 30 maanden N+I af bij circa 35% voor zowel de IP- als de ITT-groep.

In de exploratieve subgroep, zonder nefrectomie maar met een nierlaesie, was de OS met een HR van 0,63 consistent bij IP- en ITT-patiënten. De ORR was wel hoger met N+I (34%) vergeleken met S (15%). Complete remissies kwamen in beide armen niet voor en de HR van de PFS was 0,99. Een reductie van de nierlaesie(s) van minstens 30% kwam voor bij 17 (35%) van de patiënten behandeld met N+I en bij 8 (20%) patiënten behandeld met S.

Daarnaast was de incidentie van aan de behandeling gerelateerde bijwerkingen (van elke graad en van graad ≥3) grotendeels onveranderd met deze langere follow-up. Behandelingsgerelateerde bijwerkingen van elke graad kwamen voor bij 94,0% van alle patiënten behandeld met N+I en bij 97,4% van de patiënten behandeld met S. Voor de patiënten met nierlaesies waren deze percentages respectievelijk 96,2% en 92,6%.

CONCLUSIE

Na een follow-up van minstens 4 jaar hielden de voordelen van nivolumab plus ipilimumab boven sunitinib met betrekking tot algehele overleving en responspercentage stand. De responsen met de immuuntherapiecombinatie waren duurzaam en er werden geen nieuwe bijwerkingen gerapporteerd. Patiënten met gevorderd niercelcarcinoom zonder eerdere nefrectomie lieten met nivolumab plus ipilimumab een krimp van de nierlaesies zien en het OS-voordeel in deze subgroep kwam overeen met dat van de gehele studiepopulatie.

Referentie

Albiges L, Tannir N, Burotto M, et al. Nivolumab + ipilimumab (N+I) vs sunitinib (S) for first-line treatment of advanced renal cell carcinoma (aRCC) in CheckMate 214: 4-year follow-up and subgroup analysis of patients (pts) without nephrectomy. Gepresenteerd tijdens ESMO 2020; abstract 711P.