NEOADJUVANTE RADIOTHERAPIE VERHOOGT HET RISICO OP SECUNDAIRE GYNAECOLOGISCHE NEOPLASMA’S

april 2021 Preventie Walid Mohmand

Neoadjuvante radiotherapie heeft zijn effectiviteit bewezen voor locoregionale controle van endeldarmkanker, maar gaat niet gepaard met een verbeterde langetermijnoverleving. Bovendien wordt radiotherapie geassocieerd met de ontwikkeling van secundaire primaire kanker. Deze secundaire maligniteiten komen met name voor in organen die het rectum omsingelen. De kans op het krijgen van een secundair kwaadaardig neoplasma in vrouwelijke geslachtsorganen is onzeker voor vrouwen die bekkenbestraling ondergaan tegen endeldarmkanker. In een groot cohort is er gekeken hoe groot het risico is op het ontwikkelen van secundaire gynaecologische maligniteiten (‘Second Gynecological Malignant Neoplasms’, SGMN) als gevolg van radiotherapie.

Tussen 1973 en 2015 zijn 20142 vrouwen met primaire endeldarmkanker uit de SEER database gehaald en geïncludeerd in het onderzoek. Patiënten werden in twee groepen onderverdeeld: een groep die neoadjuvante radiotherapie kreeg gevolgd door een operatie en een tweede groep die alleen een operatieve behandeling onderging. De primaire uitkomst van het onderzoek was het ontwikkelen van een SGMN. Follow-up begon 5 jaar na de diagnose van endeldarmkanker en eindigde wanneer een van de volgende criteria werd bereikt: diagnose van SGMN, het overlijden van de patiënt of na 30 jaar follow-up.

Hoger cumulatief risico met neoadjuvante radiotherapie

Een percentage van 34,3% (n=5310) van de 20142 vrouwen die geïncludeerd waren in het onderzoek kreeg neoadjuvante radiotherapie. De gemiddelde leeftijd van alle vrouwen in de studie bedroeg 65 jaar. Bij een gemiddelde follow up van 140 maanden was de cumulatieve incidentie van gecombineerde SGMN’s 4,53% bij patiënten die neoadjuvante radiotherapie kregen en 1,53% bij patiënten die geen radiotherapie ondergingen (HR: 2,99, 95%-BI: 2,23-4,02, p<0,001). Na analyse van de organen bleek dat de cumulatieve incidentie van baarmoederlichaamkanker, eierstokkanker en andere SGMN’s significant verhoogd waren in patiënten die blootgesteld werden aan radiotherapie, vergeleken met patiënten die niet aan radiotherapie blootgesteld waren (baarmoederlichaamkanker: 1,00% versus 2,80%; p<0,001. eierstokkanker: 0,29% versus 0,98%; p= 0,007. Andere SGMN’s: 0,20% versus 0,62%; p= 0,007). Ondanks deze resultaten was er geen verschil te zien in baarmoederhalskankerfrequenties tussen de twee groepen.

Deze gevonden onderzoeksresultaten werden verder ondersteund door de bevinding dat radiotherapie geassocieerd werd met verhoogd risico op het ontwikkelen van baarmoederlichaamkanker (HR: 3,06, 95%-BI: 2,14-4,37, p< 0,001) en eierstokkanker (HR 2,08, 95%-BI: 1,22-3,56, p= 0,007). Risico op het ontwikkelen van baarmoederkanker door radiotherapie was significant verhoogd bij toenemende leeftijd (leeftijd 20-49 jaar: adjusted RR: 0,79, 95%-BI: 0,35-1,79, p=0.57; leeftijd 50-69 jaar: adjusted RR: 3,74, 95%-BI: 2,63-5,32, p<0.001; leeftijd ≥70 jaar: adjusted RR: 5,13, 95%-BI: 2,64-9,97, p<0,001). Dit risico nam echter af bij toenemende latentie na diagnose van endeldarmkanker (60-119 maanden: adjusted RR: 3,22, 95%-BI: 2,12-4,87, p< 0,001; 120-239 maanden: adjusted RR: 2,72, 95%-BI: 1,75-4,24, p< 0.001;, 240-360 maanden: adjusted RR: 1,95, 95%-BI: 0,67-5,66, p=0,22). Voor eierstokkanker was er een tegengesteld effect: risico op het ontwikkelen van eierstokkanker door radiotherapie nam toe bij langere latentie (60-119 maanden: adjusted RR: 0,70, 95%-BI: 0,26-1,89, p=0,48, 120-239 maanden: adjusted RR: 2,26, 95%-BI: 1,09-4,70, p=0,03; 240-360 maanden: adjusted RR: 11,84, 95%-BI: 2,18-64,33, p=0,004).

De 10-jaars overleving van patiënten met radiotherapie geassocieerde baarmoederlichaamkanker was significant lager dan de patiënten met primaire baarmoederlichaamkanker (21,5% versus 33,6%; p=0,01).

CONCLUSIE

Dit was de eerste grote cohortstudie waarin gekeken is naar het risico op het ontwikkelen van SGMN’s en de daarbij behorende prognoses bij patiënten met endeldarmkanker die neoadjuvante radiotherapie kregen. Dit onderzoek liet een verhoogd risico op het ontwikkelen van baarmoederlichaamkanker en eierstokkanker zien. Hetzelfde risico nam ook toe bij toenemende leeftijd voor beide kankertypes, maar het relatieve risico verschilde bij toenemende latentie. De gevonden onderzoeksresultaten kunnen als referentie dienen voor follow-up en individuele behandelplannen voor vrouwen met endeldarmkanker na het ondergaan van neoadjuvante radiotherapie.

Referentie

Guan X et al., Association of Radiotherapy for Rectal Cancer and Second Gynecological Malignant Neoplasms. JAMA network. 2021; 4(1): e2031661.

X